Op 27 januari 2026 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland het faunabeheerplan Houtduif 2026-2032 goedgekeurd.
De Omgevingsdienst Noord-Holland Noord heeft nu een vergunning afgegeven voor schadebestrijding door middel van verjaging met ondersteunend afschot, vanaf 1 maart 2026.
Aan deze vergunning zijn strikte voorwaarden verbonden, zoals de uitvoeringsperiode, type gewassen en het maximaal aantal houtduiven dat mag worden gedood.
Kijk op de Faunakalender voor de precieze voorwaarden
Houtduiven veroorzaken in Noord-Holland veel schade aan landbouwgewassen, vooral aan vollegrondsgroenten en graangewassen.
Tot april 2023 konden houtduiven worden bestreden op grond van de landelijke vrijstelling. De Raad van State oordeelde echter dat het Rijk deze vrijstelling onvoldoende had onderbouwd. Daardoor kon er vanaf dat moment geen gebruik meer van worden gemaakt*. De provincie Noord-Holland stelde daarom een schadetegemoetkoming beschikbaar. In 2024 bedroeg de uitgekeerde schadetegemoetkoming 8,5 miljoen euro en in 2025 ongeveer 10 miljoen euro.
* Afschot kon nog wel plaatsvinden in de jachtperiode. Maar die periode valt buiten het groeiseizoen van de meeste gewassen. Door schadebestrijding mogelijk te maken, kan er tijdens het groeiseizoen nu wel worden verjaagd met ondersteunend afschot.
Bij het voorkomen van schade worden in eerste instantie altijd preventieve middelen ingezet, zoals visuele en akoestische verjaagmiddelen. Maar houtduiven leren snel dat hier geen echt gevaar vanuit gaat. Preventieve middelen alléén zijn daarom onvoldoende effectief gebleken.
Bij deze vorm van verjagen worden telkens enkele dieren geschoten. Daardoor leren de andere houtduiven dat een perceel beter gemeden kan worden. Er dreigt immers werkelijk gevaar. Wanneer dit ondersteunende afschot wordt gecombineerd met preventieve middelen, worden die óók effectiever, omdat de houtduiven deze middelen gaan associëren met werkelijk gevaar. In het faunabeheerplan wordt daarom ingezet op deze combinatie.
Voor het effectief tegengaan van schade is het nodig dat verjaging (zeer) vaak plaatsvindt. Omdat de maatregel niet over populatiereductie gaat, heeft de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord het aantal te doden houtduiven per verjaagactie beperkt tot vier.
Schadebestrijders kunnen gebruikmaken van de vergunning in de periode dat de meeste schade aan gewassen ontstaat: van 1 maart tot 15 oktober.
Conform de provinciale voorwaarden vervalt de schadetegemoetkoming, nu schadebestrijding mogelijk is geworden. Dit valt buiten de scope van de FBE.
In het faunabeheerplan wordt onderbouwd dat in de provincie Noord-Holland jaarlijks maximaal 16.500 houtduiven geschoten mogen worden. Dit aantal is gebaseerd op twee belangrijke (juridische) uitgangspunten:
Met wetenschappelijke berekeningen kunnen we onderbouwen dat met dit maximum de gunstige Staat van Instandhouding niet verslechtert.
Afschotdata uit het verleden laten zien dat hiermee de schade effectief kan worden bestreden.
De bedoeling van de wetgeving is dat dieren in een gunstige Staat van Instandhouding blijven of komen. Hoewel lokaal veel houtduiven kunnen voorkomen, verkeert deze soort nog niet in een gunstige Staat van Instandhouding. De populatie moet daarvoor juist nog toenemen. Schadebestrijding mag dit doel niet verhinderen. Bij een groter afschot zou dat wel kunnen gebeuren.
(Eerder noemde Sovon een advieswaarde van niet meer dan 8.700 te doden houtduiven. Dit is een voorzichtige grens binnen een brede onzekerheidsmarge (0-28.500). Bij zo’n laag aantal bestaat echter het risico dat de schade aan landbouwgewassen niet afneemt. Je doodt dan wel dieren, maar zonder dat het doel kan worden bereikt.)
Schadebestrijders/jagers registreren hun afschot in het gevalideerde registratiesysteem FaunaSpot. De monitoringsperiode voor afschot van houtduiven start ieder jaar vanaf het jachtseizoen, in dit geval dus vanaf 15 oktober 2025. Op 1 maart 2026 is dan duidelijk hoeveel afschot nog is toegestaan voor de beheerperiode, die tot 15 oktober 2026 loopt. De FBE zorgt ervoor dat WBE’s goed zicht houden op de nog beschikbare ruimte. Als het maximum van 16.500 is bereikt, is afschot niet meer toegestaan en wordt de mogelijkheid tot registratie van houtduiven in FaunaSpot dichtgezet.
Bij populatiereductie en jacht worden vaak lokmiddelen gebruikt, om de dieren beter binnen schotafstand te krijgen en op die manier zoveel mogelijk vogels te kunnen doden. Het doel van verjaging met ondersteunend afschot is anders. Het gaat namelijk niet om het doden van zoveel mogelijk dieren, maar om het afschrikken van de vogels door slechts enkele dieren te schieten, in combinatie met preventieve middelen. Lokmiddelen worden daarom niet gebruikt bij deze vorm van schadebestrijding.
Schade kan mogelijk ook worden voorkomen door alternatieve foerageergebieden in te richten. Houtduiven zouden in die gebieden dan voldoende voedsel moeten kunnen vinden, zodat ze niet op zoek gaan naar schadegevoelige landbouwgewassen. Zulke alternatieve gebieden kunnen de werking van het verjagen met ondersteunend afschot versterken. Het inrichten van foerageergebieden kan echter niet worden verplicht, en hangt af van vrijwillige inzet van grondgebruikers.
De Staat van Instandhouding (SvI) laat zien hoe goed het gaat met diersoorten en hun leefgebieden. Daarbij wordt gekeken naar:
Het faunabeheerplan Houtduif gaat alleen over schadebestrijding in de periode 1 maart tot 15 oktober. Dat is namelijk de periode waarin houtduiven de meeste schade veroorzaken aan landbouwgewassen. In die periode zijn geen of nauwelijks overwinterende houtduiven aanwezig.